De noodzakelijke uitdrukking

Door Yna van der Meulen
Verschenen in Klei, mei 2005


Het werk van Beatrijs van Rheeden laat een ontwikkeling zien van gesloten naar open vormen. Ze ziet haar eigen innerlijk daarin weerspiegeld: de noodzakelijke uitdrukking van haarzelf.

Beatrijs van Rheeden (Groningen, 1965) ging naar kunstacademie Minerva in Groningen voor de eerstegraads lerarenopleiding tekenen, maar ze kwam na één jaar tot de conclusie dat ze het toch meer zocht in het ruimtelijke vlak en stapte vervolgens over naar handvaardigheid om zich daar met keramiek bezig te gaan houden. Helaas was dit een uitstervende loot aan deze academie en uiteindelijk bracht ze haar laatste studiejaar door bij monumentale keramiek op de Constantijn Huygens in Kampen. Daaraan koppelde ze nog een anderhalf jaar durende masteropleiding aan de Academie voor Toegepaste Kunsten in Boedapest, Hongarije. Sindsdien is Beatrijs vrij beeldend kunstenaar en geeft ze les op een creativiteitscentrum.

Gesloten vormen
Lange tijd heeft ze vrij gesloten sculpturen gemaakt. Abstract werk, duidelijk geïnspireerd door architectuur, gemaakt van steengoedklei en meestal – in sobere kleuren – gespoten met engobe of glazuur. Haar eerste serie heette Stapelingen, elementen, gemaakt van platen klei, die telkens op een andere manier waren gestapeld. Vervolgens ontstonden er torens en trappen, tempels en bergen. Achteraf zegt ze over deze fase in haar werk: ‘Het klopt wel met hoe ik toen in elkaar stak. Ik was erg gesloten en kende mezelf nog niet zo goed.’
Beatrijs vertelt dat ze in 1995 op alle fronten tegen zichzelf aanliep. Ook haar werk bestond steeds meer uit variaties op variaties. Er volgde een jarenlange periode van innerlijke strijd en zelfbezinning, waar ze sterk en open uit tevoorschijn kwam, hetgeen ook een enorme omslag in haar werk te zien zou geven.

Met de series Tekens en Kronkels stapte Beatrijs over op een andere techniek: ‘knijpen’ in plaats van het opbouwen met platen. ‘Knijpen bleek eigenlijk meer mijn techniek. Ik kan dit eindeloos doen. Hier heb ik alle vrijheid in.’ Toch bleven de vormen nog steeds gesloten. In 1997, tijdens een symposium in het keramisch werkcentrum in Kecskemét, Hongarije, hield ze voor het eerst – heel even – porselein in haar handen. Aangezien ze net was begonnen met haar steengoed Kronkels, liet ze deze uitdaging drie jaar liggen. Beatrijs had geen idee wat voor een potentie dit materiaal voor haar had. Toch zijn ook de Kronkels duidelijk een overgang naar het werk waar ze momenteel zo bekend mee is: ronde structuren met dunne stroken van porselein. Pas met het gebruik van porselein kwam de omslag. Er ontstond plotseling een enorme openheid in haar werk: de kwetsbare binnenkant kwam bloot te liggen, waarvan de gevoeligheid nog eens werd benadrukt door het fragiele karakter van het materiaal.

Orde en toeval
Mensen zien van alles in haar porseleinwerk: organische structuren, schelpen, fossielen. Daar heeft ze geen moeite mee, maar zelf noemt ze nog steeds architectuur als inspiratiebron. ‘Voor mij zijn het gewoon vormen. Het is voor mij meer een lijnenspel en een ritme. Hoe leg ik die dingen neer, hoe maak ik dat ritme met die tussenschotjes. Ik ben heel erg bezig met ordening, wetmatigheden. Het speelse, het toeval bestaat daaruit, dat ik niet weet hoe het eindigt. Ik speel met de balans tussen orde en toeval, de chaos.’ In het nieuwste werk – de serie Fusion – geeft ze het toeval nog meer gelegenheid. Met hoog stoken zakt het materiaal een beetje in en dat laat ze met opzet toe.
Van tevoren heeft Beatrijs globaal in haar hoofd wat ze wil maken. Ze werkt met rolletjes klei, die ze steeds dunner omhoog knijpt. Daardoor krijgt de wand iets ‘vlokkerigs’, zoals ze het zelf noemt. Bij de Fusion-serie zakt de strakke buitenwand tijdens de stook in door onregelmatigheden in de vorm. Die onregelmatigheden brengt ze niet met opzet aan, maar doordat ze altijd in dezelfde volgorde werkt, ontstaat er wel een bepaalde wetmatigheid in het inzakken. ‘Er gebeurt niet zomaar wat. Ik wil het toeval nog wel beheersen.’

Haar nieuwste werk luidt voor haar een nieuwe periode in. De openheid en de kwetsbaarheid die eerst aan de binnenkant van het werk te zien waren, zijn nu merkbaar aan de buitenzijde: wanden die half zijn ingezakt. Ze trekt daarbij de lijn door naar haar eigen leven: ‘Het is natuurlijk een vertalingslag en mensen zien erin wat bij henzelf resoneert, maar dat is het mooie van het vak, dat er altijd iets van jezelf in terug te vinden is. Het is een abstracte vorm en je bent er niet mee bezig als je het werk aan het maken bent, maar toch komt het erin te zitten. Kunst is een noodzakelijke uitdrukking van jezelf, anders wordt het leeg. Dat heeft met integriteit te maken.’

Yna van der Meulen

Dit voorjaar is het werk van Beatrijs van Rheeden te zien in Galerie Groot Welsden; deze zomer bij Galerie Hélène Porée te Parijs; en in het najaar bij Frank Steyaert in Gent. Exacte data zijn nog niet bekend. Haar werk is permanent te zien bij Galerie Terra in Delft en Galerie Albion Putti in Groningen. Voor data en adressen, zie de KeramiekAgenda of neem rechtstreeks contact op: Beatrijs van Rheeden, Volmarijnstraat 86 B, 3021 XV  Rotterdam, (010) 476 37 11, www.beatrijsvanrheeden.nl, info@beatrijsvanrheeden.com.


‘Ik kan eindeloos knijpen’
’Ik speel met de balans tussen orde en toeval, de chaos’

Technische details
Beatrijs van Rheeden gebruikt bij voorkeur Herendi-porselein (te stoken tot 1400 °C) uit Limoges. Het is veel fijner en witter dan TM18, maar helaas niet te koop op de vrije markt. Een Hongaarse porseleinfabriek heeft het alleenrecht op deze groeve en alleen keramisten die in een van de keramiekcentra in Hongarije werken, kunnen hierover beschikken. Als alternatief gebruikt ze TM18 (1300-1320 °C), ook een Limoges porselein, of Royal Porcelain uit Engeland (met een iets lagere stooktemperatuur: 1280 °C).
Ze mengt, voor kleine accenten of om een heel werk ervan te maken, kobalt- of soms ijzeroxide door de porseleinklei. Deze zijn smeltpuntverlagend en stimuleren daardoor het inzakken van een werkstuk bij een hoge stook.
Al haar werk bouwt ze met de hand op door rolletjes klei steeds dunner te ‘knijpen’ tot stroken. Die legt ze in een bepaald patroon, zonodig met gebruik van een steunvorm. Dunne tussenschotjes geven stevigheid aan de structuur. Het knijpen van de stroken gaat door tot de wand te dun wordt.
Beatrijs stookt haar werk eerst biscuit tot 1050 °C en schuurt het daarna op als ze de huid nog gladder wil maken. De tweede stook vindt plaats in een reducerende atmosfeer in een gasoven, waarbij de maximale temperatuur afhankelijk is van het soort porseleinklei. Ze stookt de oven op in drie uur. Ook in de oven maakt ze wel gebruik van een steunvorm of van ribben, gemaakt van (gelijke delen) meel, kaolien en aluminiumoxide.



Terug