Gaandeweg ontdekken : porseleinen objecten van Beatrijs van Rheeden
Door Tanneke Barendregt
In: Keramiek
Jrg. 26, nr. 6 (december 2000), p. 24-25.


Wanneer ik Beatrijs van Rheeden (Groningen, 1965) spreek is zij net terug uit Siklós in Hongarije, het land waar ze vanaf haar studietijd regelmatig werkt.

1400 graden
Hongaarse keramisten werken net als in Nederland op hun eigen atelier. Maar om meerdere redenen werkt een beperkte groep keramisten ook graag, op uitnodiging, tijdens de keramieksymposia die in Hongarije georganiseerd worden. Eén van die redenen is dat zij dan volledig gesubsidieerd kunnen werken. Een andere reden is dat zij dan gebruik kunnen maken van bijzondere faciliteiten van de werkplaatsen, zoals bijvoorbeeld andere materialen, grotere ovens of soda- en zoutovens. In Siklós kunnen ze gebruik maken van ovens die hoger gestookt kunnen worden dan hun eigen ovens. Ook kunnen ze dan werken met een andere porseleinsoort, geschonken door de Hongaarse porseleinfabriek Herend die het symposium in Siklós op die manier ondersteunt.

Deze porseleinmassa uit de Limoges, kan op 1400 graden gestookt worden, de temperatuur die het porselein zo'n wit karakter geeft. Ook Beatrijs van Rheeden maakt graag gebruik van de unieke kans: "Omdat ik het witte porselein zo mooi vind, werk ik af en toe in Hongarije. Je kunt in Nederland natuurlijk ook porseleinklei uit de Limoges kopen, maar die is alleen geschikt voor 1280 graden.. Dat noemen ze in Hongarije een half-porselein. Op mijn atelier in Rotterdam gebruik ik de TM 18, ook uit de Limoges en stook deze rond de 1300 graden, maar net als in Hongarije reducerend, zodat het toch het heldere en transparante karakter van porselein krijgt. Deze kleigroeve is echter uitgeput, zodat ik naar een andere soort zal moeten uitkijken".

Opleiding
Zij volgde de lerarenopleiding aan de ABK Minerva te Groningen en studeerde een jaar bij Marja Hooft aan de Academie van Beeldende Kunsten in Kampen. Tijdens haar studie in Groningen kwam ze door een uitwisselingsprogramma in Hongarije terecht, waar ze veel nieuwe technieken leerde, ook voor het glazuren. Haar docent Sándor Kecskeméti heeft de meeste invloed op haar werk gehad.
"Eigenlijk ben ik naar de academie gegaan om te leren tekenen, ik was niet van plan om keramist te worden. Maar ik ontdekte al gauw dat ik ruimtelijk wilde werken. Ik heb het gaandeweg ontdekt. Alle technieken die ik gebruik zijn arbeidsintensief. Dat geeft me de gelegenheid om tijdens het werk mijn gedachten te laten gaan. Op de lange duur hebben die gedachten dan weer invloed op mijn werk", zegt zij.

Steengoed
Vorm is altijd het uitgangspunt geweest voor de beelden van Van Rheeden. Vormen die ze opbouwde met de hand of met platen steengoedklei. "Architectuur was mijn inspiratiebron en mijn beelden waren heel strak en afgesloten, waarbij ik het materiaal ondergeschikt maakte aan de vorm. Voor ik aan het werk ging, wist ik al hoe de nieuwe vorm moest worden", vertelt Beatrijs.In 1997 kreeg ze voor het eerst porselein in handen en geleidelijk veranderde haar techniek en werkwijze. Ze hoopte dat deze andere benadering ook een andere vormentaal zou opleveren. Vanaf 1999 maakte ze haar autonome werk alleen nog in de porselein.

Porselein
Tijdens haar studie had ze al eens geëxperimenteerd met het idee om zo dun mogelijk in steengoed te werken. Maar nu wilde ze uitzoeken wat ze met porselein kon bereiken. "Als je dan toch dun gaat werken is het transparante van porselein veel aantrekkelijker n het geslotene van steengoed. In Nederland wordt er met porselein gedraaid, gegoten of wordt er met platen gewerkt, maar opbouwen met porselein gebeurt haast niet. Dat wilde ik graag uitproberen, omdat ik met die techniek vertrouwd was", vertelt Beatrijs. Nu waren de techniek en het materiaal zelf uitgangspunten voor haar werk. "Het enige idee wat ik van tevoren had, was dat ik hele dunne wanden wilde opbouwen en kijken hoe ik die wanden neer kon zetten", zegt zij.

Al werkende ontdekte ze dat de vorm rond moest worden, wilden de wanden blijven staan. Ook de vele tussenstukjes die de verschillende naast elkaar geplaatste wanden met elkaar verbinden zijn aangebracht om technische redenen: het gaf de wanden stevigheid, waardoor ze beter konden blijven staan. "Vergeleken met de steengoedklei kan ik de porseleinmassa iets minder makkelijk in een door mij gewenste vorm dwingen. Maar ik heb gemerkt dat ik erg houd van de wisselwerking tussen wat het materiaal doet en wat ik er mee wil", vertelt Beatrijs. En verder:"Porselein is mooi van zichzelf dus laat ik zoveel mogelijk het materiaal zichtbaar. Je ziet mijn vingerafdrukken, de aanzet van de tussenstukjes, ik werk niks weg. Alleen schuur ik na de biscuitbrand de wanden wel een beetje, zodat het object prettig is om aan te raken".

Vóór de tweede stook brent ze een beetje oxyde, vaak cobalt, aan om een enkel detail te benadrukken. Soms wast ze de oxyde er ook weer uit om de kleur slechts een summiere plaats te geven. Tijdens het werkproces ontdekte ze ook het thema van haar nieuwe werk: contrasten, aan de ene kant de rafeligheid, kwetsbaarheid en doorzichtigheid van de objecten en aan de andere kant de structuur van een stevige constructie, de wetmatigheid en regelmaat. "Ondanks dat ik een nieuwe werkwijze heb gevonden en ander soort werk maak, zie ik nog steeds een verband met het architecturale van mijn vroegere werk", merkt van Rheeden op.

Bankjes
Naast haar autonome werk maakt zij tuinbankjes in opdracht. Dan verwerkt ze in een week of vijf 300 kilo steengoedklei, die ze op 1220 graden stookt. Een bankje bouwt ze in zijn geheel op. Als de klei stevig genoeg is snijdt ze het bankje in stukken, die goed in elkaar grijpen en voegt ze weer samen om ze tegen elkaar te laten drogen. Na het glazuren en stoken monteert ze het bankje te plekke. "Ik heb niet alleen een grote liefde voor architectuur, maar ook voor meubels en design. Ik bestudeer altijd hun details en laat me er door inspireren", besluit zij.

Terug